Inleiding

Is het zo belangrijk hoe we de Bijbel lezen? Mijn ervaring is van wel. Ik was bijna gestrand in de tegenstrijdigheden in Gods Woord en de verschillende uitleggingen daarover. Staan er dan in de Bijbel teksten die elkaar tegenspreken? Ik heb ze wel gevonden. Neem bijvoorbeeld 1 Korinthe 7,26,29 en vergelijk dat met 1 Timotheüs 5:14. Ik weet wel dat je de teksten in het verband moet lezen, maar dan nog kwam ik er niet uit. In mijn studie "tegenstrijdigheden in de Bijbel" kun je lezen waar ik zoal tegenaan ben gelopen en hoe ik deze vermeende tegenstrijdigheden mag lezen.

In de verzen 1 Korinthe 1:10 en Filippenzen 2:2 spreekt de Bijbel over eensgezindheid. Als ik om mij heen kijk heb ik het idee dat we alles behalve eensgezind zijn. Over het werk van Christus denken we veelal wel hetzelfde, maar er zijn verder veel verschillen en dus ook veel groepen.

In de VISIE van januari 2014 wordt in “slijpsteen” gevraagd of werken aan kerkelijke eenheid verspilde energie is. 61 % vindt van niet, 39 % vindt van wel.

Ik denk dat veel van de verschillen te maken hebben met hoe we de Bijbel lezen.

Wat ik veel hoor en lees is dat wij tegenwoordig leven in en mogen bouwen aan het Koninkrijk van God. De Here Jezus wordt aanbeden als onze Koning. Maar is Christus op dit moment Koning? Hierover kun je lezen in mijn studie "De toekomst van de mens" deel 1 "Het Koninkrijk"

Maar om de bedoeling van het Koninkrijk goed te begrijpen raad ik je aan ook de andere delen van de studie te lezen. Daar vind je dan ook een een uitleg over "de hel", waar ik me aan gewaagd heb. Eén en ander hebben, naar mijn idee, met elkaar te maken.

"De hel" is een onderwerp waar we mee in onze maag zitten. Ongeveer 10 jaar geleden werd daar in diverse tijdschriften aandacht aan besteed. In het blad CV-Koers schreef een bekende Nederlander dat hij zou willen dat er een ander verhaal was dan "de hel". Bovendien werd het "ons nare geheimpje" genoemd.

Waar ik natuurlijk benieuwd naar ben is wat je van de studies vindt.

Studie: "De toekomst van de mens" Deel 2: Wij die levend overgebleven zijn. Opstaan ten leven.

Deze studie is het vervolg op Deel 1: Het Koninkrijk van God" van de Bijbelstudie: "DE TOEKOMST VAN DE MENS

De studie behandelt de volgende onderwerpen:

2.         Niet sterven.
2.1       De opname.
2.2       De grote verdrukking.
2.3       Aangenomen en verlaten worden.
2.4       Eeuwig verloren.
2.5       Buitenste duisternis.
3.         Wat is sterven.
3.1       Wat is de ziel.
3.2       Geest en adem.
3.3       Conclusie.

2.         Niet sterven.

Mark.9: 1 En Hij zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van degenen, die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij zullen hebben gezien, dat het Koninkrijk Gods met kracht gekomen is.
Joh.6: 50, 51 50 Dit is het Brood, dat uit den hemel nederdaalt, opdat de mens daarvan ete, en niet sterve. 51  Ik ben dat levende Brood, dat uit den hemel nedergedaald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in der eeuwigheid leven.
Joh.8: 51  Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal den dood niet zien in der eeuwigheid.
Joh.14: 2, 3  2 In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. 3  En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kome Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben.

Als ik deze teksten lees dan krijg ik het idee dat degene die gelooft de dood niet zal mee maken. Hij gaat zonder te sterven door naar het leven tot in de eeuw van het Koninkrijk. Ik geloof inderdaad dat dit de bedoeling was. Als Israël zijn Messias had aangenomen waren al de beloften in vervulling gegaan, en waren sommigen niet gestorven, maar hadden dit bij leven meegemaakt. Maar ik weet dat het niet zo gegaan is. Alles is uitgesteld naar de toekomst. Wanneer ik dit niet onderscheid, zijn deze teksten onbegrijpelijk.

2.1       De opname.


Teksten die ook de indruk wekken dat alles zou gebeuren tijdens het dan levende geslacht en die tegelijkertijd de zogenaamde ‘opname’ beschrijven zijn:

Matth.24: 27, 30, 31, 34  27  Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, alzo zal ook de toekomst van den Zoon des mensen wezen. 30 En alsdan zal in den hemel verschijnen het teken van den Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen, en zullen den Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid. 31  En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeen vergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve. 34  Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.
Mark.13: 26, 27, 30  26 En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien, komende in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid. 27  En alsdan zal Hij Zijn engelen uitzenden, en zal Zijn uitverkorenen
bijeenvergaderen uit de vier winden, van het uiterste der aarde ( land), tot het uiterste des hemels.
30 Voorwaar, Ik zeg u, dat dit geslacht niet zal voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.
Luk.21: 27, 28, 31, 32  27 En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid. 28  Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is. 31  Alzo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zo weet, dat het Koninkrijk Gods nabij is.
32  Voorwaar Ik zeg u, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan, totdat alles zal geschied zijn.
1 Kor.15: 51 Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden;
1 Thess.4: 15, 16a, 17  15 want dat zeggen wij u door het Woord des Heeren, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren.16  Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; 17 Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te samen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.
2 Thess.2: 1  En wij bidden u, broeders, door de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, en onze toevergadering tot Hem,

In deze laatste verzen wordt ‘de opname’ beschreven, waarbij over het algemeen uitgelegd wordt dat de christenen van de tegenwoordige Gemeente, die op dat moment leven, dan opgenomen worden in de Hemel en daar voor altijd bij de Heer zullen zijn. Deze opname kan ieder moment, zonder bepaald voorteken, plaatsvinden, dus nog voor de grote verdrukking. Men verklaart dat het in de evangeliën over een andere bijeen vergadering gaat. Deze zal plaats vinden na de grote verdrukking (paragraaf 9.2 deel 4 van de studie "De toekomst van de mens") Wanneer bovenstaande teksten los van elkaar worden gelezen lijkt het alsof het om verschillende situaties gaat. Maar ik meen dat als ik de teksten met elkaar vergelijk, het over dezelfde gebeurtenis gaat.
Er is in Matth.24: 31 en 1Thess.4: 16 sprake van een bazuin. Er is sprake van een bijeenvergaderen in Matth.24: 31 en een toevergaderen in 2Thess.2: 1. Dit is in de grondtekst hetzelfde woord, namelijk episunagoge. Het betekent: verzamelen op dezelfde plaats, de complete collectie, Christelijke ontmoeting (om te aanbidden), verzameling, bijeenkomst.
Verder staat in de evangeliën dat de Heer komt op de wolken met grote kracht en heerlijkheid en in 1Thess.4: 16 dat de Heer zelf zal nederdalen van de hemel. In bijna alle aangehaalde teksten staan vermeld dat het op dat moment levende geslacht deze ‘toekomst’ zal meemaken.
Het woord ‘toekomst’ is in het Grieks ‘parousia’ en het betekent: aanwezigheid, benedenkomend, komst, nadering, terugkeren, speciaal van Christus om Jeruzalem te straffen, te kastijden in de finale van de goddeloosheid.
Het opgenomen worden in de wolken, lucht, is niet ‘een opname’ tot in de Hemel, de  ouranos. In het Grieks staat hier ‘aer’ en het betekent: lucht als een natuurlijke omgeving. De gebeurtenis die hier plaats vindt, is een tegemoet gaan naar de Heer in de lucht terwijl de Zoon des mensen komt met grote kracht en heerlijkheid.
En daarna zal de Heer dan als hemelse Koning gaan zitten op de troon in het Koninkrijk op aarde. Dit staat ook beschreven in Mattheus 24: 30, 31,  Markus 13: 26, 27 en Lukas 21: 27, 28, 31 en ik lees het in:

Openb.1: 7  Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben;
Openb.11: 15, 17  15 En de zevende engel heeft gebazuind, en er geschiedden grote stemmen in den hemel, zeggende: De koninkrijken der wereld zijn geworden onzen Heeren en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid 17  Zeggende: Wij danken U, Heere God almachtig, Die is, en Die was, en Die komen zal! Dat Gij Uw grote kracht hebt aangenomen, en als Koning hebt geheerst;

Ik zie in deze teksten dat ‘de opname’ niet een gebeurtenis is die ‘zomaar’ plaats zal vinden. Bovendien is het geen gebeurtenis voor de christenen van de tegenwoordige gemeente. Maar het heeft alles te maken met de eindtijd, de periode waarin Christus terugkomt en zijn Koningschap gaat aanvaarden. Deze gebeurtenis zou reeds plaats hebben gevonden als de Joden hun Messias hadden aangenomen. Het zou allemaal nog gebeuren tijdens het dan levende geslacht. Paulus verwachtte dit nog tijdens zijn leven, 1Thess.4: 17. Maar hij wist ook dat er iets gruwelijks aan deze hoopvolle toekomst vooraf zou moeten gaan. Zie voor meer uitleg over 'de opname' mijn studie: “Wat is de opname”:

2.2       De grote verdrukking.


Matth.24: 15, 21 – 25, 27 – 29, 30  15 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniel, den profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!) 21  Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal. 23  Alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet. 24  Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden.
25  Ziet, Ik heb het u voorzegd!  27  Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, alzo zal ook de toekomst van den Zoon des mensen wezen. 28  Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden. 29  En terstond na de verdrukking dier dagen, 30 zullen den Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid. 
1 Thess.5: 1 – 6 1 Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders! hebt gij niet van node, dat men u schrijve.2  Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in den nacht. 3  Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw; en zij zullen het geenszins ontvlieden;
4  Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen. 5  Gij zijt allen kinderen des lichts, en kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis.
6  Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchter zijn.
2 Thess.2: 1 – 4, 8  1 En wij bidden u, broeders, door de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, en onze toevergadering tot Hem, 2  Dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande ware. 3 Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs; 4  Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertonende, dat hij God is. 8  En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heere verdoen zal door den Geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst;

De parousia en de toevergadering van de dan levende Gemeente der gelovige christen Joden zal geschieden nadat de mens der zonde, de antichrist, zich heeft geopenbaard, en niet ervoor. Paulus waarschuwt hiervoor in de brieven aan de Thessalonicensen. Maar ook de Here Jezus voorspeld dit ‘haastige verderf’ in die dag en waarschuwt ervoor in: Matth.24: 15 – 51, Mark.13: 1 – 37, Luk.21: 5 – 36. Zo zie ik dat de evangeliën en de brieven aan de Thessalonicensen elkaar aanvullen.

2.3       Aangenomen en verlaten worden.


In de vorige gedeeltes heb ik kunnen lezen wat de gelovige Joden, die leven tijdens de wederkomst van de Heer, zullen meemaken.  In onderstaande teksten wordt bevestigd dat zij aangenomen zullen worden, nadat zij bijeenvergaderd worden in Mattheüs 24: 31, Markus 13: 27 en 2Thess.2: 1. Zij gaan het leven van de eeuw, het Koninkrijk in oftewel het duizendjarige rijk binnen.

Mattheus 24: 40, 41, 44  40 Alsdan zullen er twee op den akker zijn, de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden. 41  Er zullen twee vrouwen malen in den molen, de ene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden. 44 Daarom, zijt ook gij bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen.
Lukas 17: 34 – 36  34 Ik zeg u: In dien nacht zullen twee op een bed zijn; de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden. 35  Twee vrouwen zullen te zamen malen; de ene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden. [36  Twee zullen op den akker zijn; de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden]

Tegenover het aangenomen worden staat het verlaten worden, SV, of het achtergelaten worden, zoals het NBG heeft. Het lijkt logisch dat het achtergelaten worden voor de ongelovige Joden geldt, die op het moment van de wederkomst van de Heer leven. Dus dat zou kunnen betekenen dat zij het leven in de toekomende eeuw, in het Koninkrijk, niet ontvangen. Ik krijg de indruk dat beiden, uitverkorenen en degenen die daar niet bij horen, buiten het gebied wonen, wat tot het Koninkrijk zal gaan behoren. Als dat klopt dan kan ik ook begrijpen wat er met Matth.24: 31 en Mark.13: 27 bedoeld wordt, waar gesproken wordt over het bijeen vergaderen uit de vier winden van het ene uiterste der hemel of aarde tot het andere uiterste des hemels, paragraaf 2.1. Want voor het volk vergadert kan worden, moet het eerst verstrooid zijn. Ik lees in:

Jer.49: 36, 39  36 En Ik zal de vier winden uit de vier hoeken des hemels over Elam aanbrengen, en zal hen in al diezelve winden verstrooien; en er zal geen volk zijn, waarhenen Elams verdrevenen niet zullen komen. 39  Maar het zal geschieden in het laatste der dagen, dat Ik Elams gevangenis wenden zal, spreekt de HEERE.

Ik wil het achterblijven of verlaten worden nog iets verder uitdiepen.

2.4       Eeuwig verloren.


Joh.10: 28  En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid,

Tegenover het eeuwige leven staat het verloren gaan in der eeuwigheid. En dit ‘verloren gaan’ heb ik altijd geassocieerd met het eeuwige verblijf in de ‘hel’. Maar ‘in der eeuwigheid’ betekent: tot in de eeuw. Dit is de eeuw van het komende Koninkrijk. Ik denk dat ‘verloren gaan’ hier dan ook wil zeggen dat iemand verloren gaat voor de eeuw van het Koninkrijk. Hij gaat dit Koninkrijk niet binnen, oftewel hij wordt verlaten of achtergelaten.
Verloren gaan is in het Grieks apollumi: en betekent: verliezen, vernielen, afmaken, vernietigen,  dood, omkomen, vergaan, bederven, in het verderf storten, ongelukkig maken, verwoesten, doen verdrijven. Dit kan iemand overkomen die niet in de Here Jezus gelooft en die niet van het Brood en het Vlees van de Heer wil eten, in de periode van het nabijgekomen Koninkrijk. Het overkomt hem als hij zijn eigen leven op dat moment niet wil verliezen. Hij zal het juist kwijtraken in de eeuw van het Koninkrijk. Hij doet zichzelf dan tekort.

Luc.9: 25  Want wat baat het een mens, die de gehele wereld zou winnen, en zichzelven verliezen, of schade zijns zelfs lijden?
Matth.10: 39  Die zijn ziel  (psuche) vindt, zal dezelve verliezen;
Matth.16: 25  Want zo wie zijn leven (psuche) zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen;
Mark.8: 35  Want zo wie zijn leven (psuche) zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen;
Luc.17: 33  Zo wie zijn leven (psuche) zal zoeken te behouden, die zal het verliezen;

2.5       Buitenste duisternis.


Ik ben nog een uitdrukking tegengekomen die, naar mijn idee, spreekt van het leven buiten het Koninkrijk en niet, zoals velen menen, over een verblijf in ‘de hel’. Het gaat om de uitdrukking "buitenste duisternis"

Matth.22: 1, 2, 3, 8, 10 – 14  1 En Jezus, antwoordende, sprak tot hen wederom door gelijkenissen, zeggende: 2  Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een zeker koning, die zijn zoon een bruiloft bereid had; 3  En zond zijn dienstknechten uit, om de genoden ter bruiloft te roepen; en zij wilden niet komen. 8  Toen zeide hij tot zijn dienstknechten: De bruiloft is wel bereid, doch de genoden waren het niet waardig. 10  En dezelve dienstknechten, uitgaande op de wegen, vergaderden allen, die zij vonden, beiden kwaden en goeden; en de bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten. 11 En als de koning ingegaan was, om de aanzittende gasten te overzien, zag hij aldaar een mens, niet gekleed zijnde met een bruiloftskleed; 12  En zeide tot hem: vriend! Hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed aan hebbende? En hij verstomde. 13  Toen zeide de koning tot de dienaars: bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn wening en knersing der tanden.14  Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

De genoden zijn volgens de grondtekst de degenen die geroepen zijn. Ik geloof dat dit het Joodse volk is. Zij zijn voorbestemd om als gasten bij de bruiloft aanwezig te zijn.
Maar ik lees in Matth.22: 3 dat genodigden niet willen komen. Dit was werkelijkheid in die tijd. De Joden wilden, op een enkeling na, de Here Jezus niet aannemen. Dus gaan de dienstknechten naar wegen en halen daar de goeden en ook de kwaden op. Het is voor mij moeilijk te begrijpen, maar de Heer nodigt ook de kwaden uit om binnen te komen. Blijkbaar kunnen ze het Koninkrijk binnen gaan, als de Heer ze roept, en ze Zijn wil doen. Ik denk dat Mattheüs 21: 31 hier nog wat meer duidelijkheid over geeft.

Matth.21: 31 Jezus zeide tot hen (overpriesters en ouderlingen, vers 23): Voorwaar, Ik zeg u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk Gods.

De hoeren en tollenaars waren in die tijd in de ogen van de Farizeeën en Schriftgeleerden zeker bozen, maar in Gods ogen konden ze het Koninkrijk binnen gaan.

Maar er is in Mattheüs 22: 11 toch iemand in het Koninkrijk binnengekomen terwijl hij er niet in hoort. Het is geen boze of goede, maar wordt ‘vriend’ door genoemd. Deze vriend heeft niet het juiste kleed aan. Ik ben geneigd te denken dat deze vriend een Jood is die niet wederom geboren is. Dit was de voorwaarde om binnen te worden gelaten in het Koninkrijk, zoals ik heb gelezen in Johannes 3: 3 en 5. Deze persoon wordt ontdekt en in de buitenste duisternis geworpen, oftewel uit het Koninkrijk verwijderd.

Als ik dit gedeelte zou toepassen op het binnen gaan in de Hemel dan kan ik deze teksten eigenlijk niet goed begrijpen en moet ik wel een heel raar beeld krijgen van de Hemel. Want hoe kan iemand daar binnen komen met het verkeerde kleed aan en er vervolgens uitgegooid worden? Iemand kan toch alleen maar binnen komen als hij gereinigd is door het bloed van Christus en daar zal God toch geen vergissing in kunnen maken? Bovendien staat er dat er bozen binnen komen. Nee dit gedeelte kan niet op het binnengaan in de Hemel slaan. Maar het kan wel op het binnen gaan in Gods Koninkrijk op aarde slaan, waar eventueel ook weer mensen uit verwijderd kunnen worden.

Als dan het binnengaan in het Koninkrijk een letterlijk binnengaan in het Koninkrijk is, en niet een gaan naar de Hemel, wat is dan de buitenste duisternis? Is dit een binnengaan in ‘de hel’? In hoofdstuk 4 (deel 3 van "De toekomst van de mens"zal ik laten zien wat met ‘de hel’ wordt bedoeld. Maar hier wil ik vast noemen dat de buitenst duisternis wel erg vrij vertaald wordt als men hier ‘hel’ van maakt. Ik moet bij het zoeken naar een verklaring dicht bij het onderwerp blijven en dat is het Koninkrijk. Daar kan men binnengaan, maar ook uit worden geworpen.

Nog twee gedeeltes die hetzelfde principe als Matteüs 22: 1 – 14 aangeven zijn:

Matth.8: 11, 12  11Doch Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk der hemelen; 12  En de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal wening zijn, en knersing der tanden.
Luk.13: 23 – 30  23 En er zeide een tot Hem: Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden? En Hij zeide tot hen: 24  Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen; 25  Namelijk nadat de Heer des huizes zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar gij zijt. 26  Alsdan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en Gij hebt in onze straten geleerd. 27  En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, van waar gij zijt; wijkt van Mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid! 28  Aldaar zal zijn wening en knersing der tanden, wanneer gij zult zien Abraham, en Izak, en Jakob, en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar ulieden buiten uitgeworpen. 29  En daar zullen er komen van Oosten en Westen, en van Noorden en Zuiden, en zullen aanzitten in het Koninkrijk Gods. 30  En ziet, er zijn laatsten, die de eersten zullen zijn; en er zijn eersten, die de laatsten zullen zijn.

Abraham, en Izak, en Jakob zullen aanzitten in het Koninkrijk der hemelen. Velen zullen met hen aanzitten. Er wordt hier niet vermeld wie dit zijn. In het vorige gedeelte waren dit de bozen en de goeden, die het Koninkrijk mochten binnen gaan. De kinderen, voor wie het Koninkrijk bedoelt is, zullen buiten in de duisternis worden geworpen. Het Koninkrijk zal opgericht worden aan het Joodse volk, dus zijn zij het die door ongeloof worden verworpen. Als ze eenmaal buiten zijn lijkt het er op dat ze spijt hebben. Ze jammeren en knersen met hun tanden. Ze kloppen op de deur en noemen de goede dingen die zij in eigen ogen hebben gedaan. Maar het helpt niet.

In de onderstaande verzen vind ik dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk van God niet zullen binnen gaan.
Zij zullen buiten, in de duisternis moeten blijven.

1 Cor.6: 9, 10  9 Of weet gij niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beerven?
10  Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beerven.
Openb.22: 15  Maar buiten zullen zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de doodslagers, en de afgodendienaars, en een iegelijk, die de leugen liefheeft, en doet.


Tot hier toe heb ik gezien dat bij de wederkomst van de Heer de dan levende gelovigen en rechtvaardigen het Koninkrijk zullen binnen gaan en de ongelovigen buiten moeten blijven. Dan wil ik nu gaan onderzoeken wat er met de gestorven gelovigen, ongelovigen en onrechtvaardigen gebeurt in de toekomst van de Heer. Daarvoor wil ik eerst gaan kijken wat sterven is. 


3.         Wat is sterven.


Gen.3: 19  In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren.
Job 10: 9, 21 – 22  Gedenk toch, dat Gij mij als leem bereid hebt, en mij tot stof zult doen wederkeren. 21 Eer ik henenga (en niet wederkom) in een land der duisternis en der schaduwe des doods; 22  Een stikdonker land, als de duisternis zelve, de schaduwe des doods, en zonder ordeningen, en het geeft schijnsel als de duisternis.
Job 21: 26  Zij liggen te samen neder in het stof, en het gewormte overdekt ze.
Job 34: 15  Alle vlees zou tegelijk den geest geven, en de mens zou tot stof wederkeren.
Psalm 6: 6   Want in den dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf.
Psalm 30: 10 Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen?
Psalm 104: 29  Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem (neshamah)  weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof.
Pred.3: 20  Zij gaan allen naar een plaats; zij zijn allen uit het stof, en zij keren allen weder tot het stof.

In Psalm 104: 29 staat dat God de adem van de mens wegneemt zodat deze sterft. En wanneer de mens gestorven is verandert hij in het graf tot stof. Dit proces voltrekt zich bij de gelovige en bij de ongelovige.
Staat er dat alleen het lichaam tot stof wordt en ‘de onsterfelijke ziel’ opstijgt ergens naar toe? Nee, dat staat er niet.  Er staat dat ‘gij’ of ‘zij’ tot stof worden enzovoort. Over het graf wordt gezegd dat het een land van duisternis is en dat er de schaduwen van de dood zijn. In de aarde is het donker en doods. Er zijn daar geen gedachten en God wordt er niet geloofd.

3.1       Wat is de ziel.


God maakte de mens tot een levende ziel. Maar wat is dan ‘de ziel? Ziel is in het Hebreeuws ‘nephesh’ en betekent: ademhalen, opfrissen, lucht, ademhalend schepsel, beest, lichaam, lichamelijk. In het Grieks is het ‘psuche’ en dit betekent: leven,  adem, lucht, geest, gemoed, dierlijk leven, omschrijving van de persoon, schepsel. Niets in de betekenis van ‘nephesh’ en ‘psuche’ geeft aan dat ‘ziel’ een onsterfelijk iets in de mens is.
Nephesh en psuche worden ook veel door ‘leven’ vertaald, bijvoorbeeld in:

Job 2: 6  En de HEERE zeide tot den satan: Zie, hij zij in uw hand, doch verschoon zijn leven, (nephesh)
Hand. 27: 22  Doch alsnu vermaan ik ulieden goedsmoeds te zijn; want er zal geen verlies geschieden van iemands leven (psuche) onder u, maar alleen van het schip.

In Genesis 9: 4 kan ik heel duidelijk zien dat inderdaad met ‘ziel’ het leven bedoeld wordt. Wanneer ik door een ongeluk een bloeding krijg loop ik kans om te sterven. Het leven verlaat mij dan.
Gen.9: 4  Doch het vlees met zijn ziel (nephesh), dat is zijn bloed, zult gij niet eten.

Ik ben tot het inzicht gekomen dat de mens geen ‘ziel’ heeft maar een ziel, een persoon is. Deze persoon is met zijn ‘ziel’ oftewel leven en lichaam sterfelijk. Zo zie ik dat de uitleg van ‘de onsterfelijke ziel’ steeds ongeloofwaardiger wordt. Hoe komt het dan toch dat ik dit altijd zo heb begrepen, als ik het al kon begrijpen? Heeft dat misschien te maken met bijvoorbeeld Psalm 6: 5 waar gesproken wordt over het redden van de ziel?

Psalm 6: 5  Keer weder, HEERE, red mijn ziel (nephesh) verlos mij,  om Uwer goedertierenheid wil. 

Hoe moet ik dit verklaren? Wel, ik geloof dat hier gevraagd wordt of de Here het leven, de persoon, oftewel David wil redden en verlossen. Dit is een hele normale vraag voor iemand die op het punt staat te sterven en daar tegenop ziet. Het probleem met het begrip ‘ziel’ is dat we het verwarren met de persoonlijkheid van een mens, welke hem tot een uniek persoon maakt. Deze persoonlijkheid is ook niet onsterfelijk maar eveneens verbonden aan het lichaam van de mens. Daarom kunnen medicijnen hun invloed uitoefenen op de gevoelens van een mens, wanneer deze afwijkt van het gangbare en mensen daardoor ongelukkig zijn.

3.2       Geest en adem.


Gen.2: 7  En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem (neshamah) des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel (nephesh).
God maakte de mens uit stof en gaf hem leven door de adem in zijn neusgaten te blazen. Maar als de mens sterft dan gaat de adem en de geest terug naar God.
Job 34: 14  Indien Hij Zijn hart tegen hem zette, Zijn geest (ruwach) en Zijn adem (neshamah) zou Hij tot Zich vergaderen;
Pred.12: 7 En dat het stof wederom tot aarde keert, als het geweest is; en de geest (ruwach) weder tot God keert, Die hem gegeven heeft.
Adem is in het Hebreeuws ‘neshamah’ en het betekent: een puf, wind, adem, Goddelijke inspiratie, intellect, windstoot, geest. Geest is in het Hebreeuws    ‘ruwach’ en het betekent: adem, blazen, leven, wind. Ruwach wordt ook wel met ‘adem’ vertaald. Maar ik zie dat neshamah evengoed door ‘geest’ vertaald kan worden. Deze begrippen overlappen elkaar.

3.3       Conclusie.


Na het bestuderen van deze teksten wordt het mij duidelijk dat bij het sterven de mens (ziel en lichaam) naar het graf gaat. De geest en de adem, die in Genesis 2: 17 door God aan de mens gegeven zijn, gaan terug naar God. Sterven is dus sterven en niet het scheiden van lichaam en ziel, waarbij ‘de ziel’ onsterfelijk is en het lichaam naar het graf gaat. Deze wetenschap zal ook mijn begrip van de opstandingen ten goede komen. De mens staat in zijn geheel op. God verwekt hem tot leven. Het opstaan is niet een bijeenkomen van een lichaam uit het graf en ‘een ziel’ uit de hades of het paradijs. Maar dat zal verder duidelijk worden uit de volgende hoofdstukken. (deel 3 van  "De toekomst van de mens")

Ga verder naar Deel 3 "De opstandingen van de gelovige en ongelovige".

Geen opmerkingen:

Een reactie posten